Monthly Archives: februari 2012

Rommeltje

Rommeltje

Mijn kleine aapje. Mijn steun en toeverlaat in woelige tijden. Ik vond je in een winkel in 1995, toen ik net op mijzelf was gaan wonen. Weet je nog, dat vond ik niet altijd even makkelijk. Mijn vuur en warmte. Overal waar ik naar toe ging, mocht jij mee. In mijn jas. Naar school. Naar avondschool. Naar de supermarkt. Waar ik ook heen ging, huppelde je altijd achter mij aan. Los, zonder tuigje. In de duinen. Bij het meer. Zelfs door de Zwitserse bergen. En als ik ontwaakte, lag jij altijd ergens wel tegen mij aan. We kletsten veel. Elke nacht beloofde ik je de volgende dag te worden, van wie ik droomde dat ik was en wilde zijn.

Je sterfdag, was 15 februari jl alweer tien jaar geleden. Je was op en samen wisten we dat het afscheid daar was. Het was zakelijk, maar liefdevol en teder. Je stierf met een dikke staart – wat bij fretten een uiting van blijdschap is- in mijn armen. Tot het allerlaatste moment hadden we van elkaar genoten. Maar daarna volgde de meesleep van het verliezen van.

Lieve Rommel, soms sterft iets uit je leven, huil je, zet je een streep eronder en is het klaar. En soms, heel soms, soms sterft iets en zet je er een streep onder. Maar blijft het. En blijft het. En blijft. Het. Dat verdriet. En die tranen.
Je evalueert, kijkt terug en probeert te genieten van alle schoonheid die jullie samen beleefden. Maar de herinneringen spelen zich ineens af in A-minor in plaats van het major waarin ze plaatsvonden. Je duikt de kroeg in, drinkt er één op, twee, drie, zes. Je staat op met een kater en gaat verder. Maar die kater van pijn die blijft. Die blijft. Die blijft. En toch ga je verder. Maar het blijft.

Uitendelijk lukte het mij, na jaren,  terug te schakelen naar A-flat als ik aan je dacht. En daarna zelfs om terug te kijken met dezelfde gelukkig gevoelens als toen wij samen – ook met Poembaa er bij – op avontuur waren. Ondanks de holte in mijn hartje. Ondanks dat de mogelijkheid het opnieuw te beleven in de huidige realiteit weg was. Weggegaan en weggebleven. Wegverbannen. Alles ging verder, maar dan met net iets-je minder glans. Iets-je min-der. Ietsje zachter. Ietsje verder. Tot ik weer twee andere fretten ging liefhebben, Biggles en Carmen. Een andere liefde, een andere band, dat wel. Maar ook heel mooi, vol gevoel en liefde.

Afgelopen woensdag stond ik, op mijn paarsgelakte laarsjes, even stil in mijn herinneringen. Zachtjes fluisterde ik tegen jou, via de wind, als eerbetoon, als triomf: ik ben geworden, wie ik ben en wilde zijn.

In memoriam, mijn lieve Koning Rommel. Ouwe generaal.

 

 

Frettenflitswandeling

Frettenflitswandeling
Intuigen. Maar waar is Carmen?

Door de vrieskou waren we een paar dagen al niet uit wandelen geweest. Biggles en Carmen stonden echt horizontaal tegen de voordeur.
‘WIJ WILLEN WANDELEN!!!’
‘Vooruit maar jongens.’ Ik pakte de tuigjes. Nou, ze hadden nog geen twee tenen buiten gezet of ze stonden alweer boven aan de trap. Next time.

 

 

En op de Achtste Dag verwoestte de mens…

En op de Achtste Dag verwoestte de mens…

Vol verwachting en verkleumd door de kou wurmden wij ons gezwind een eensgezind door de kerkdeur. Zaterdagmiddag twee uur. Het team van de Baarsjesborrel, een groep vrijwilligers die de bewoners van de Baarsjes elke zes weken uitnodigt voor op een inloop/kennismakingsborrel (en daarmee ook de lokale horeca goed op de kaart zet) had vandaag de Elfbaarsjesborrel georganiseerd. Een soort van kroegentocht, met midden op de dag een bezoek aan de Jeruzalemkerk aan de James Cookstraat, vlak bij het Mercatorplein. Een hoogtepuntje van de dag.

De deuren waren speciaal voor ons open gegaan. Een binnenhuisarchitect vertelde ons eerst een twintig minuten over de buurt zelf. Over hoe de Amsterdamse School een eigen stijl was geworden tijdens de Art Deco periode, die voortvloeide uit de Art Noveau, een bevrijding na de Eclectische periode. Hoe de wijk – lopend van Zuid lopend tot West was georkestreerd. Hoe de brave burgers van Amsterdam jarenlang na de kerkdienst ten tijde van de economische crisis gedoneerd hadden om zo de droom van één mogelijk te maken. Een tempel in het nieuwe Amsterdam. De architect vertelde over hoe de buurten daarna vervielen tot sloppenwijken dankzij eenzijdig integratiebeleid en PVC raamkozijnen en hoe zij pas in de afgelopen 25 jaar weer herontdekt en gerestaureerd werden. Hoe de lelijkste straat van Amsterdam – de Witte de Withstraat – tot zijn huidige pracht was gekomen.

Daarna sprak hij ruim twintig minuten over de kerk zelf. Hoe deze was geïnspireerd op de Tempel van Jeruzalem. Hoe de gekozen steenkleuren verwezen naar het Tabernakel. Over de liefde die aan het metselwerk was besteed. Dat de kerk traptreden buiten had, om zo de berg in Jeruzalem zelf te symboliseren. Over de perfecte symmetrie van de kerk zelf. En dan al die details die niet gespaard waren, bijvoorbeeld een tal aan numerologische verwijzingen waren door de kerk verweven. Drie treden naar het doopvont en drie deuren naar buiten: alles om de Vader, de Zoon en de Heilige Geest kracht bij te zetten. En alle andere liturgische details: zeven ramen, allen verwijzend naar de Schepping. En terwijl hij ons raam voor raam door het begin van het leven heen leidde tot we uiteindelijk bij de Rustdag waren aangekomen, kwam de typische Amsterdamse school abstractie tot leven.

Tot slot vertelde de interieurarchitect ons gepassioneerd waarom deze kerk vooral zo bijzonder was: het was de enige kerk in de stijl van de Amsterdamse School die nog volledig in tact was. Niet alleen van buiten, maar ook van binnen. De cijfers op de bankjes, het kansel, het orgel, zelfs de lampen waren nog autentiek. En dat is belangrijk, omdat vroeger architecten niet alleen het gebouw ontwierpen, maar alles, tot aan het zilver voor het laatste Avondmaal aan toe. De uitzonderingen waren op één hand te tellen: de spaarlampen, de geluidsinstallatie, de draaitafel. Wat een parel van een kerk.

De meneer met de sleutel van de kerk, wiens Nederlands Hervormdheid van af te lezen viel, bijvoorbeeld dankzij zijn verlate jeugdpuistjes en de manier waarop hij het gidsboekje als bijbeltje vasthield tot de trots waarmee hij zijn trouwring dezelfde ochtend nog had opgepoetst, mocht ook nog wat vertellen over zijn kerk.

‘Vroeger,’ begon hij. ‘Vroeger zat de kerk helemaal vol. Tegenwoordig is dat niet meer zo.’ Het kroegvolk-op-doorgang giechelde. Tja, voor ons was het ook allemaal de eerste keer dat we er in zaten en een lange tijd sinds onze laatste kerkbezoek was verstreken. De brave borst wees omhoog.

‘Daarboven,’ ging hij verder, ‘zit het alleen nog maar vol tijdens kerstmis. En de oude domineeswoning is nu de crèche. Daarom hebben we besloten, dat we daar linksboven alle banken er uit gaan slopen, en er een lezerscafé van gaan maken. En om het wat af te schermen komt er een gordijn voor te hangen. Maar wel doorschijnend, zodat je de glas-in-lood ramen nog wel kan zien.’